Sommige fotografen tonen de wereld. Karin Bali zoekt veeleer naar wat ons ontglipt: een lichtval, een breuklijn, een band, het broze spoor van een ogenblik dat al aan het verdwijnen is. Bij haar dringt het beeld zich niet op. Het scherpt de blik.
Caroline Vrancken
Vóór het beeld was er de klank. De viool, de klassieke zang, het conservatorium, later de world music. Er was Engeland, er waren reizen, studies, grafische vormgeving. Ook vandaag combineert Karin haar werk in marketing met haar artistieke praktijk. De fotografie nam gaandeweg steeds meer ruimte in, bijna geruisloos, tot ze een taal op zich werd.
Waar de tijd zijn vaart verliest
Bij Karin begint alles wanneer de wereld vertraagt. Licht dat over een gevel glijdt, een silhouet dat het beeld binnenkomt, een schaduw die een vertrouwde plek plots opnieuw tekent. Kleine, vluchtige dingen waar een gehaaste blik vaak aan voorbijgaat. Karin blijft net wél kijken. Ze observeert, zoekt de juiste hoek, wacht tot het licht precies goed valt. Soms enkele minuten. Vaak uren.
Klik. De tijd staat stil.
Daarna komt alles weer in beweging. Het silhouet loopt verder, het licht verschuift, de schaduw verdwijnt. Maar het beeld blijft.
Met diezelfde aandacht trekt ze door steden. Rome, de Kunstberg, voormalige mijnsites of Charleroi… Karin licht er een fragment uit, isoleert een lijn, een architecturaal detail, een schaduw, een glimp van licht. Vertrouwde plekken kantelen. Ze worden grafisch, soms donker, soms vreemd stil. Ze verandert de wereld niet om hem mooier te maken. Ze kijkt er lang genoeg naar om een schoonheid te ontdekken die wij niet meer zagen.
Wat het beeld niet zegt, maar de blik ontdekt
Met S’habiller au monde wordt de blik intiemer. Karin keert er terug naar een vraag die ook door haar eigen geschiedenis loopt: hoe toon je jezelf aan de wereld wanneer je verschillende werelden, verschillende codes in je meedraagt? Als geadopteerd kind van Afrikaanse afkomst, opgegroeid in België, weet ze hoe snel een blik je kan definiëren, nog vóór iemand je werkelijk kent.
Ze plaatst twee werkelijkheden naast elkaar. Haar modellen, geadopteerd, van gemengde afkomst of in een gemengde relatie, dragen eerst de kleuren en stoffen van hun cultuur van herkomst. Daarna fotografeert ze hen in hun dagelijkse leven. De twee beelden spreken elkaar niet tegen, en toch beginnen onze zekerheden te barsten. Een afkomst kan doorschemeren in een gezicht, een kledingstuk, een kleur, maar vertelt nooit het hele verhaal van een mens. Dan keert het beeld zich naar de kijker: niet langer alleen ‘wie is hij?’, maar ‘wat dacht ik te zien?’.
Haar beelden laten zich nooit in één betekenis opsluiten. Karin biedt het beeld aan en treedt zelf terug. Eenmaal aan de blik toevertrouwd, behoort het haar niet meer toe. Iedereen kan erin binnentreden, zichzelf erin herkennen, er een eigen verhaal in achterlaten…
Die dialoog zet ze voort in Jusqu’à ce que le lien nous sépare. Rond twee dansers tekenen draden in de ruimte de onzichtbare geografie van onze banden: wat ons verbindt, ons draagt of ons soms vasthoudt. De band wordt tederheid of beklemming, toevlucht of spanning. Karin laat de betekenis open. Ze laat het lichaam de vraag stellen.
Wat uiteindelijk in haar beelden blijft, is een uitnodiging: nog eens kijken. Iets langer. Net iets anders. Om opnieuw de schoonheid te zien, zelfs in wat de gewoonte onzichtbaar heeft gemaakt; maar ook de kwetsbaarheid, omdat niets van wat ons omringt vanzelfsprekend is. En misschien, in de stilte van een foto, die vluchtige rust te ervaren die ontstaat wanneer de wereld ons even niet meesleurt en we opnieuw, heel eenvoudig, beginnen te zien.